Echt grappig. Peter Zantingh verwees hieronder naar enkele boze reacties op de toevoeging van The National aan Spotifette. Ik moest meteen aan mijn VWO-tijd denken. De intenties van bands en de afzonderlijke leden werden nauwlettend in de gaten gehouden. Was ons de mogelijkheid gegeven om ze te laten afluisteren en bespioneren, dan hadden we het meteen gedaan. We wilden koste wat kost één ding zeker weten: ‘onze’ bands moesten niet commercieel zijn. Want zo heette het, commercieel. Een scheldwoord vergelijkbaar met het nu zo populaire hoerenjong, maar dan erger. We controleerden erop los. De hitlijsten werden schaamtevol opgehaald bij de Free Record Shop en vervolgens woord voor woord gespeld. Had een band uit onze collectie de hitparade gehaald, dan waren we meedogenloos: we luisterden er nooit meer naar en namen er officieel afstand van. We belegden nog net geen persconferentie waarin we en plein public de desbetreffende bandjes en cd’s in de fik staken.
We meenden dat bands er doelbewust voor kozen om commercieel te worden. Ze hadden niet alleen hun ziel aan de duivel verkocht, Beëlzebub kreeg de rest van hun lichaamsdelen er gratis bij. Het was een uitdrukking die veelvuldig op het schoolplein rondzong, dat een band commercieel was geworden. Vooral de ‘neppunkers’ van Green Day en Offspring hadden het zwaar te verduren. Hoe durfden ze muziek te maken die je neefje van tien ook leuk vond?! Dat was niet punk, lazen we in interviews met échte punkbands, die er dan ook schande van spraken. Of net zo erg: soms bleek een album opeens, vanuit het niets commercieel te zijn. Vlak na het verschijnen werd No Need To Argue van The Cranberries erg gewaardeerd, maar nadat elke verdwaasde brugklasser Zombie meefloot, was het toch niet wat voor ons. Wie een zus had, gaf haar snel dat exemplaar van die Cranberries-cd cadeau. Wij luisterden alleen naar bands die voor ons groot waren door bewust klein te blijven.
Het bovenstaande is vet aangezet, maar de muziekpolitie die bepaalde wat goed en slecht was bestond op de middelbare school, de agent zat ook in jezelf. En dan, op een gegeven moment, laat je dat gevoel los. Het verdwijnt. Wat je van een album vindt, bepaal je op basis van, jawel, de muziek. Hoe revolutionair! Of een band één album verkoopt op tien miljoen, of ze de hitlijsten haalt of niet, het is is allemaal geen leidraad meer. Goede liedjes, goede platen, daar gaat het om. Laat ik het, heel voorzichtig, volwassenwording noemen. Dan komen we meteen aan bij de reacties van mensen die verfoeien dat Harm de Kleine op deze plek zijn enthousiasme over The National heeft gedeeld. ‘Dan kan Spotifette overgaan in de top-40,’ stelt een criticaster voor wie die Top 40 ongetwijfeld het Sodom en Gomorra van de muziek is. Wij hadden het ‘commerciële muziek’ genoemd, maar voor de criticaster lijkt dat een understatement. Hij noemt het ‘ziek’ dat The National wordt toegevoegd. En daarbovenop: The National ‘was bereslecht op Roskilde.’ Ja, dat doen bands soms, slechte optredens geven. Ook favoriete bands uit de collectie van deze criticaster geven soms hondsberoerde concerten. Het lijkt me niet dat hij ze dan compleet afschrijft. Dat hij ze niet meer in een playlistje wil stoppen.
Criticaster #2 maakt duidelijk dat The National niet bijzonder en innovatief is. Dat hij dat zelf vindt, geen probleem, muziekbeleving is per definitie gekleurd. Ook die van mij. Ik heb er geweldige discussies over gevoerd die langer duurden dan een gemiddeld potje RISK. Maar, beste criticaster #2, misschien vinden anderen The National wél bijzonder en innovatief. Die band doet iets met Harm én Peter én mij wat andere bands niet op die manier doen. Ik vind The National uniek. Ik heb zelden een band meegemaakt die zo subtiel onder mijn huid wist te kruipen. Het heeft jaren geduurd voordat de verslaving écht optrad. Nummers die eentonig klonken, muzikaal en vocaal, bleken een zuigende werking te hebben. Hoe vaker ik luisterde hoe meer ik voelde dat elke millimeter vol zat met opgekropte energie. The National is een autist die alleen in het uiterste geval ontploft omdat het er écht uit moet. De hele sfeer van de muziek, en vooral de briljante drumpartijen, verwijzen naar explosies die in de meeste gevallen uitblijven. Veel luisteraars vinden dat saai of onbevredigend. Ik vind het af. Het grijpt me vast.
Het is goed dat Peter Meeuwsen hieronder tot rust maant en dat hij aangeeft waar Spotifette over moet gaan. Toch houd ik de discussie nog even in leven. ‘Ik denk vooral dat balans heel belangrijk is in de lijst,’ stelt Peter. Dat kan remmend werken. Ik denk dat iedereen die een nummer uitkiest, die lijst volledig los moet laten. Kies het nummer dat jou verwondert, ondersteboven schopt, dat je op onnavolgbare wijze ontroert en leg uit waarom. Zonder invloed van lijsten, criticasters of de muziekpolitie die commerciële misdadigers opspoort. Om een variatie op de legendarische Bill Hicks-quote aan te brengen: choose from your fucking heart. Mijn keuze voor de Spotifette-playlist is gevallen op Afraid Of Everyone van The National. Dat nummer is afkomstig van het vrij sublieme, dit jaar verschenen High Violet en behandelt het deel van de tijdsgeest waar we paranoia, angst en xenofobie vinden. Het klinkt heerlijk claustrofobisch. Ik moet de criticasters wel waarschuwen. Volgens mij las ik ergens op een forum dat iemand dit een nogal ‘commercieel’ album van The National vond. Ik heb jullie gewaarschuwd. Een andere waarschuwing: deze band, dit nummer, kan geruime tijd je leven beheersen en dat geeft ontzettend veel voldoening. Het nummer van Dimilite verdwijnt, sorry Atze. Het is ongetwijfeld bijzonder en innovatief, maar in mijn geval ook luisteraartje pesten.
Het stokje gaat over naar Guuz Hoogaerts a.k.a. Guuzbourg. Gewaardeerd oud-collega van Nieuwe Revu en een muziekliefhebber waarvan er meer moeten zijn. Dat vinden ook alle Franse zuchtmeisjes die hij promoot.
Moest hier toch nog maar eens op reageren. Op het VWO zonder argumenten commerciële meuk afzeiken valt niet te vergelijken met Bob Rusche en Roy Mantel, die al sinds jaar en dag inhoudelijk met muziek bezig zijn, tot de grootste kenners van het land behoren en logischerwijs afgedwaald zijn van de mainstream. Vind je het gek dat deze mensen het experiment opzoeken met de lawine aan eenvormigheid die dagelijks op ons afkomt? Ja, zij zijn de smaakpolitie. Gelukkig maar, leve de smaakpolitie! Leve de elite! Gelukkig zijn er nog journalisten die zich nog wel bezig houden met de muzikale voorhoedes, die geen genoegen nemen met weer een variant op ‘het liedje’. Leuk hoor die liedjes, luister er ook graag naar, maar er is zoveel meer! Niets mooiers dan muzikale ontdekkingstochten langs nieuwe bands, het rijke verleden, of ja, gewoon een mooi liedje. Leve de verscheidenheid, leve de muziek en vooral, leve de smaakpolitie!